1c alles door elkaar

Vul de juiste antwoorden in.

Is het woord een persoonsvorm? Let op of het tegenwoordige tijd of verleden tijd is.
Is het een voltooid deelwoord? Langer maken of 't kofschip gebruiken.
Is het bijvoeglijk naamwoord of het hele werkwoord dan gewoon schrijven wat je hoort.
Ook bij sterke werkwoorden in de verleden tijd.

1. De vreugde werd (overschaduw...) door het overlijdensbericht.
2. Men (vermoe...) dat de eigenaar met opzet zijn zaak failliet liet gaan.
3. De juf (troos...e) het kind dat uit het klimraam was gevallen.
4. (Wor...) jij wel eens geholpen met het maken van je huiswerk?
5. Ons eerste elftal (stree...) tevergeefs tegen die sterke tegenstander.
6. Gisteren (mel...en) zich meer dan vijftig sollicitanten voor die baan.
7. Mijn kleine broertje heeft al weer in zijn broek (geplas...).
8. We vonden een paddestoel die een ondraaglijke geur (versprei...e).
9. Hoe laat (wor...) oma Roos op Schiphol verwacht?
10. In Brussel (onderhandel...) men weer over de landbouwprijzen.
11. Charlotte heeft wel drie broeken (gepas...) voor ze er een kocht.
12. Met (bezwe...e) gezichten kwamen de kinderen de kamer inhollen.
13. Toen de toerleider het sein gaf, (star...en) de wielrenners koers.
14. Wat voor een leuk plannetje (broe...) je nu weer uit?
15. Omdat ik geen reactie kreeg op mijn vraag, heb ik die (herhaal...).
16. We vinden het niet zo leuk dat onze buurman duiven (hou...).
17. Wie zijn neus (schen...), schendt zijn aangezicht.
18. De volleyballer (eis...e) de eer alleen voor zichzelf op.
19. Met een (klagen...) stemmetje probeerde ze wat langer op te blijven.
20. Ik (besef...e) heel goed, dat ik ik harder moest werken om over te gaan.